14 nov 2019

Vroegtijdig schoolverlaten is een stedelijk probleem. Geef ons het mandaat om het aan te pakken.

De voorpagina van De Standaard kopte vorige maandag dat Vlaanderen er niet in slaagt om haar belofte na te komen de schooluitval te halveren. Samen met de schepenen van onderwijs van Antwerpen, Genk en Oostende kroop Elke Decruynaere in de pen om een opiniestuk te schrijven.

Vroegtijdig schoolverlaten is namelijk bij uitstek een stedelijk probleem. Stedelijke overheden zijn een onmisbare partner om het aantal ongekwalificeerde schoolverlaters te laten dalen. De lokale overheden staan dicht bij de scholen, leerlingen en hun ouders en bevinden zich in een breder lokaal netwerk. Door scholen, ondersteuningsdiensten, lokale diensten en initiatieven te laten samenwerken, kunnen we jongeren maatwerk bieden. Zo bouwen we een breder netwerk rond de scholen waar uiteenlopende uitdagingen de draagkracht van leerkrachten overschrijden. Of zoals een schooldirectrice uit Oostende het in de krant formuleerde: “Wij zijn leerkrachten, geen hulpverleners.”

In de centrumsteden zien we ernstige cijfers: bij ons in Gent gaat het om 15,6 procent, in Oostende 15,8 procent, in Antwerpen en Genk verlaat 21,5 procent van de jongeren de schoolbanken zonder diploma.

Vlaamse cijfers tonen dat gemiddeld 11 procent van de jongeren de schoolbanken verlaat zonder kwalificatie. Buiten de centrumsteden gaat het om gemiddeld 8 procent, maar in de centrumsteden zien we veel ernstiger cijfers: bij ons in Gent gaat het om 15,6 procent, in Oostende 15,8 procent, in Antwerpen en Genk 21,5 procent. De Vlaamse steden verschillen daarin niet van andere Europese steden. Ook elders kennen steden een grotere vroegtijdige schooluitval in vergelijking met het nationale gemiddelde. Vlaanderen mag algemeen dan wel beter presteren dan het Europese gemiddelde, onze steden doen dat niet. Lijkt logisch aangezien de meest kwetsbare jongeren vooral in de steden opgroeien, waar er een grote percentage is aan eenoudergezinnen, kansarmoede etc.

 Zeilen zonder mast

Antwerpen, Gent en het Brussels Gewest zetten reeds stedelijke onderwijscentra op poten. In alle steden lopen daarnaast ook concrete projecten zoals brugfiguren maar ook onder meer participatieve kinderopvang, brede school en schoolopbouwwerk. Zo maken de steden werk van kleuterparticipatie en ouderbetrokkenheid en binden ze de strijd aan met spijbelen en vroegtijdig schoolverlaten. Maar ondanks de inspanningen voor een fijnmazig stedelijk netwerk, blijven we - zonder duidelijk mandaat en middelen van de hogere overheid - ter plaatse trappelen.

Om een lokaal onderwijsbeleid te kunnen voeren, hebben we een duidelijk dashboard nodig met, per stad, actuele cijfers rond spijbelen, vroegtijdig schoolverlaten, kleuterparticipatie, kinderen in kansarmoede...

Met middelen bedoelen we meer dan financiële middelen. Beleid voeren zonder data is zoals zeilen zonder mast: domweg onmogelijk. Om een lokaal onderwijsbeleid te kunnen voeren, hebben we een duidelijk dashboard nodig met, per stad, actuele cijfers rond spijbelen, vroegtijdig schoolverlaten, kleuterparticipatie, kinderen in kansarmoede ... Anno 2019 vinden we het onbegrijpelijk dat Vlaanderen die data nog altijd niet structureel deelt met lokale overheden.

Het regeerakkoord en de beleidsnota van de minister bieden mogelijkheden tot samenwerking: de zomerklassen Nederlands, kleuterparticipatie, het multifunctionele gebruik van scholen … Telkens wordt daarbij – terecht - verwezen naar samenwerking met lokale partners en lokale besturen, die daar nu al werk van maken. Maar hoe de lokale besturen in hun opdracht ondersteund zullen worden, daarover zijn de teksten minder duidelijk.

Wij zijn duidelijk: een samenwerking met de lokale overheden kan voor de schoolverlaters het verschil maken. Geef ons die expliciete opdracht en de bijhorende middelen. Want elke jongere heeft recht op een diploma en dat diploma is de beste garantie om kansen te krijgen om sociaal te stijgen.

Lees hier het integrale opiniestuk op de website van De Standaard.